Een negen-tot-zevencomponist

door Frederike Berntsen (2015)
Kunstenaars vertellen in de serie De Schepping hoe hun werk tot stand komt. Vandaag componist Anthony Fiumara (1968). Hij kreeg van de ZaterdagMatinee de opdracht een stuk te schrijven voor het Keulse ensemble Musikfabrik, en maakte een strijkkwartet.

Musikfabrik is een ensemble met een heel open manier van doen. De musici werken graag met componisten samen. Heeft Anthony Fiumara, die net een stuk voor het ensemble heeft geschreven, hen vanaf het begin bij het compositieproces betrokken?
Fiumara: “Als ik schrijf, ziet niemand het werk tot het af is. Een compositie is een belofte waaraan alles nog schoon is. Samenwerken met de musici doe ik pas als het stuk bijna klaar is, tijdens de repetities. Dat ligt anders als je voor een solist schrijft, dan is overleg prettig en inspirerend. Maar voor een ensemble, nee. Alsof je een prachtig besneeuwd veld hebt waar al voetstappen in staan. Het stuk moet een belofte blijven, totdat het de deur uit gaat. Als het klaar is, ga ik naar de spelers toe en vraag ik ze: werkt dit, lukt dit zo? Ik kan pas overleggen en repeteren met noten die voor mijn gevoel af zijn. Kijk, zo’n ensemble speelt ook muziek van Cage en Antheil, die komen ook niet langs voor overleg. En ik schrijf niet zulke ingewikkelde muziek, dat het zonder mij niet gaat. Het stuk heb ik in mijn hoofd, het wordt toch zoals ik wil.

De ZaterdagMatinee vroeg je een werk te componeren. Wat was precies de opdracht?
“Het programma gaat over virtuositeit. Kees Vlaardingerbroek, de programmeur, vroeg om een virtuoze compositie van acht minuten voor een kleine bezetting. Ik dacht: leuk, weer voor ensemble schrijven. Maar even later dacht ik: waarom ben ik gevraagd voor iets virtuoos? Zo schrijf ik helemaal niet. Mijn muziek klinkt niet razend knap. Kees heeft me uit mijn comfortzone willen halen. Uiteindelijk heb ik besloten iets te componeren waar ik me prettig bij voel. Dus ik lever geen virtuoos stuk à la Paganini, en geen heksentoeren zoals in Ligeti’s Pianoconcert, die beide ook op het programma staan. En acht minuten werden er veertien. Ik heb dus niet aan de opdracht voldaan. De titel, ‘I Dreamed in the Cities at Night’, is dezelfde als die van een gedicht van Remco Campert – het tweede deel is namelijk gebaseerd op een ander werk van mij, dat op zijn beurt geïnspireerd was op een gedicht van Campert.
“Ik ben blij dat ik op het programma niet louter door technisch hoogbegaafde componisten omringd ben. Hoewel, Ligeti: die man schrijft op de grens van wat nog kan, je moet je er kapot op studeren. Zijn partituren bekijk ik niet meer, ik word er chagrijnig van, zo virtuoos als die man schrijft!”

Dit is je eerste strijkkwartet. Is het een moeilijk werk geworden?
“Volgens mij niet, niet om te spelen in ieder geval. Ik heb geen alarmberichten van de musici gekregen, ze vinden het leuk om erop te studeren. En dat enthousiasme kwam zelfs van de altviolist, terwijl hij toch echt een behoorlijk autistische partij voor de kiezen krijgt in het eerste deel. Het kan zijn dat sommige spelers niet dol zijn op de herhalingen, of dat ze het jammer vinden dat ik hun virtuositeit niet zo aanspreek. Ik schrijf bijvoorbeeld geen microtonen en ingewikkelde sprongen voor.”
De partituur ligt op de werktafel. Deel één ziet er overzichtelijk en mechanisch uit. Het geluidsvoorbeeld via de computer bevestigt dat. In het tweede kunnen we wegdromen en het slotdeel begint met lange noten, maar dan hup, de rem eraf, richting minimalisme.
“Wat ik mooi vind in mechanische muziek als deze, waarin ik een bijna onmenselijke motoriek vraag, is de uitvoering door mensenhanden. Het mechaniek komt tot leven, dat vind ik ontroerend. Mijn aanwijzingen in de partijen zijn minimaal, wat dynamische tekens, paar accenten. Ik waak voor wat Andriessen ‘overnotatie’ noemt. Sommige componisten zetten overal stipjes, puntjes, streepjes, en hier ietsje zachter, daar ietsje harder. Dat past bij verhalende muziek. Ik schrijf bijna nooit een organisch verhaal. Veel van mijn stukken beginnen ergens en houden een keer op.
“Bij dit kwartet zou ik het wel mooi vinden als het een beetje poppy gespeeld wordt, het moet niet te romantisch klinken. Maar je weet nooit wat er gaat gebeuren. De musici hebben er hun eigen gevoel bij, gelukkig.
“Andriessen vertelde me een keer dat zijn strakke compositie ‘De Staat’ in Polen gespeeld werd als Bruckner. En dat kon hij niet ondervangen met aanwijzingen in de partituur. Die mensen hebben een andere muziekcultuur, zijn veel romantischer dan wij, ze lieten er hun gevoel op los. En dat vind ik erg mooi. Zo gaat muziek een eigen leven leiden.
“Musikfabrik heeft heel goede strijkers, daar is het ensemble ook trots op. En een strijkkwartet wilde ik al langer schrijven.”

Was dat geen beladen genre voor je? Beethoven en Schubert gingen je voor.
“Strijkkwartet is een fantastische vorm. De componisten die ik goed vind en met wie ik me verwant voel – Reich, Glass, Feldman – hebben allemaal voor kwartet geschreven, en ik had het idee dat ik daar wel iets aan toe zou kunnen voegen. Ik heb geen ballast van me af hoeven schudden. Beethoven: ik ben een groot bewonderaar, zijn late kwartetten zijn waanzinnig, die konden gisteren geschreven zijn. Maar ik voel ook een zekere afstand. Hij was een verhalende componist, heel anders dan hoe ik wil schrijven. Steengoed, maar anders.
“Weet je wat moeilijk was? Een eerste orkestwerk maken. Mijn eerste opdracht voor het Noord Nederlands Orkest is nooit gespeeld, omdat ik het niet voor elkaar kreeg, ik ging helemaal op slot. Ik dacht: wat moet ik met zestig musici? Hoe moet ik die allemaal wat te doen geven? Ik kan dat nooit zoals al die grote componisten vóór mij dat konden. En nu vind ik het ’t leukste wat er is.
“Als ik een goede opdracht krijg, heb ik vrij snel het idee: dit wordt het. Ik weet welke sfeer er moet komen, hoeveel delen, en hoe het slot klinkt. Moeilijk uit te leggen. Dit klinkt vaag en als interessantdoenerij, zo bedoel ik het niet. Het is alsof je door de woestijn loopt en in de verte een stad ziet verschijnen, heel ver weg. Componeren is voor mij dat ik die stad dichterbij probeer te halen. Op een gegeven moment zie je de torens, en opeens ontwaar je mensen. Langzaamaan tekenen de contouren zich steeds duidelijker af.
“Ik ben niet de romantische componist die een lange wandeling gaat maken door het bos en dan inspiratie opdoet. Componeren is werken. Zitten en schrijven. Op inspiratie wachten kan héél lang duren. Ik ben een negen-tot-zevencomponist. ’s Avonds werk ik niet, want dan gaat het spoken door mijn hoofd, en slaap ik niet. Als ik vastzit in een maat, ga ik boodschappen doen, en dan denk ik onderweg: zo moet het. Een hutje op de hei hoeft van mij niet, het liefst zit ik hier in mijn werkkamer.
“Aan ‘I Dreamed in the Cities at Night’ heb ik een klein jaar gewerkt. Het heeft eerst driekwart jaar in mijn hoofd gezeten, een beetje gesudderd, en pas vanaf begin november tot begin december vorig jaar heb ik in een strak dagritme alleen aan dat kwartet gewerkt. Aan potlood en papier doe ik niet. Alles gaat op de computer, iedere schets. Dat is handig, kan ik meteen horen hoe iets zou kunnen klinken.”

En als je in de trein zit en een inval krijgt?
“Dan pak ik mijn iPad erbij. Meteen het 3D-idee van een compositie, dat schiet op.”

Klinkt vrij opgeruimd.
“Nou, ik kan wel worstelen, hoor. Soms floept een stuk eruit, maar componeren kan een heel vervelend vak zijn. In dit strijkkwartet gebeurt op sommige plaatsen voor mijn doen best veel, niet alleen onder de oppervlakte. Ik heb heel lang alleen maar langzame werken geschreven, snel zat er gewoon niet in. Ik wilde een soort stilstand in de muziek bereiken, dat er ogenschijnlijk niets gebeurt, prachtig. Iemand die daar heel goed in is, is Feldman. Ik hou erg van de snelheid in Reich, maar dan wel op mijn manier: harmonisch gebeurt er vaak weinig, maar onderhuids verandert er veel. Muziek die als een monorail doorgaat, maar als je goed luistert, merk je dat er kleine dingen veranderen. Sommige mensen worden er gek van, want het is altijd hetzelfde. Maar het ís niet altijd hetzelfde. Ook niet als je herhaling op herhaling op herhaling speelt, want je kunt nooit twee keer iets exact hetzelfde spelen.”

Sluiten je noten aan op je karakter?
“Het gaat me om de huid van de muziek. Is die zacht, stekelig? Er zijn componisten die filosofen aanhalen en ingewikkelde teksten gebruiken. Zo ben ik niet. Zo van: kijk mij eens ontzettend slim zijn met deze muziek. Daar hou ik niet van, boekenkasten om laten vallen. De luisteraar moet de ruimte krijgen om zijn eigen verhaal te maken van wat hij hoort. Muziek en kunst hebben ruimte nodig. Mondriaan noemt een schilderij ‘Compositie nummer 3’. Klaar. Geen ondoordringbare titels of moeilijke termen waar je je doorheen moet worstelen. “Klank vormt mijn inspiratiebron. Klank die lang duurt en oneindig is. Als musicoloog ben ik een kind van de Renaissance. Toen was tijd een door God gegeven iets, tijd was oneindig. De laatste noot in een renaissancestuk heet een longa, en in principe heeft die geen duur. Een fantastisch idee! Zoiets als dat je een deur opendoet en er is muziek. En wanneer je die deur dichtdoet, gaat die muziek door. Dat deed ik in het begin ook, een compositie zonder kop en zonder staart schrijven. Ik maak nu meer gebruik van opbouw en structuur.
“Dit kwartet is wel hoe ik ben. Dat kan ook niet anders. Liegen in muziek kan ik niet.”