Rehearsal Memorial Park, with TEMKO

Memorial Park

MP

Toen schrijfster Désanne van Brederode en ik begonnen na te denken over een nieuw requiem voor November Music, waren we het er al snel over eens dat we het anders wilden doen. Ons werk zou over de de doden en het sterven zelf moeten gaan. Désanne verwoordde dat mooi: “Het gaat me om soorten sterven — anoniem en in eenzaamheid, of in het dieptepunt van een depressie door eigen hand, of verdronken tijdens het vluchten, of dankbaar en bewust, na een lang leven, of vertwijfeld en woedend en bang, omdat iemand lijdt én nog zoveel plannen had.”

Terwijl de prachtige teksten van Désanne één voor één binnen kwamen, moest ik steeds meer denken aan Vergilius’ Aeneas. Hij beschrijft daarin hoe de hoofdpersoon de onderwereld in gaat: ‘Ibant obscuri sola sub nocte per umbram’ (‘Donker, onder eenzame nacht, gingen zij door de schaduw’). De schrijver schetst een prachtig beeld van zijn hiervoor- en namaals: een donker veld , bevolkt door al die dolende gestorven en nog niet geboren zielen. Een soort park bevolkt door herinneringen en beloftes. Zo kwam ik op de titel Memorial Park.

Uit de weelde van gedichten die Désanne schreef, koos ik zes teksten uit die ik op muziek zette. Voor de kenners: hoewel de gedichten de titels dragen van de delen uit de dodenmis, volg ik in Memorial Park niet helemaal de oorspronkelijke volgorde — en laat ik zelfs delen weg. Dat is een vrijheid die ik me permitteerde: de vorm van het requiem was slechts een leidraad voor ons werk.

De verschillende karakters van de gedichten en hun onderwerpen vonden hun weerslag in de muziek: Memorial Park is een werk van heftige contrasten, zowel in de karakters van de delen als in de bezetting — met een barok strijkorkest, een koor en een elektrisch trio kon ik het clair-obscur enorm versterken.

De zes gezongen delen en de drie instrumentale interludes zijn innig met elkaar verknoopt: thema’s, instrumentatie en karakters verwijzen naar elkaar, vervat in één grote cirkel. Aan het eind zijn we eigenlijk weer aan het begin beland — een ‘ewige Wiederkehr des Gleichen.’

Memorial Park, door Nederlands Kamerkoor, Holland Baroque en TEMKO olv Mathieu Romano: première 2 november in Theater aan de Parade, Den Bosch, tijdens November Music. Info en kaarten


Frank Zappa | The Perfect Stranger

zappa

Toelichting voor de ZaterdagMatinee van 8 oktober 2016

Naar eigen zeggen componeerde Zappa al vanaf zijn veertiende ‘klassieke muziek’; toch werd hij uiteindelijk bekender als rockmuzikant. “Ik was nooit van plan rockmuziek te gaan maken”, aldus Zappa in een interview. “Ik wilde altijd serieuzere muziek componeren die je in concertzalen zou kunnen uitvoeren, maar ik wist dat niemand die zou gaan spelen. Ik realiseerde mij dat ik een band bij elkaar moest zoeken en rockmuziek moest gaan maken, wilde ik ook maar iets van wat ik componeerde laten klinken.”

Zappa’s eerste grote project waarin zijn popliefde en zijn klassieke achtergrond bij elkaar werden gebracht was 200 Motels uit 1972. Maar hij voelde zich pas echt serieus genomen als componist toen Pierre Boulez hem in 1984 uitnodigde om een aantal van zijn stukken op te nemen met het Ensemble intercontemporain in het IRCAM – het album ‘The Perfect Stranger’ was het resultaat.

Tijdens de repetities met Ensemble intercontemporain was Zappa niet al te zeer onder de indruk van de musici, van hun accuratesse, noch van hun interpretatie. Misschien was het wel uit ontevredenheid over de klassieke musici dat hij zijn Synclavier liet meespelen tijdens de opnames. Het mag tegenwoordig heel gewoon geworden zijn, elektronica in composities te gebruiken, in het midden van de jaren tachtig stonden deze technieken nog in de kinderschoenen. Met de Synclavier kon Zappa voor het eerst muziek componeren zonder de beperkingen van de menselijke musicus en kon hij op een ongehoorde manier geluid manipuleren door sampling en synthese.

In Zappa’s eigen woorden is het instrumentale The Perfect Stranger een staaltje absurdistisch muziektheater: “Vergezeld door zijn trouwe gypsy mutant industriële stofzuiger, voert een colporteur ongebreideld bokkensprongen uit met een slonzige huisvrouw. We horen de deurbel en de wenkbrauwen van de huisvrouw gaan op en neer terwijl ze het mondstuk van de stofzuiger tussen haar gordijnen ziet; het geluid van het zakje ‘demonstratievuil’ dat over de vloerbedekking wordt uitgestrooid; diverse bombastische tussenwerpsels die de spirituele kwaliteiten van chroom, rubber, elektriciteit en huishoudelijke reinheid representeren De hele transactie wordt vanaf een veilige afstand bekeken door Patricia, de hond in de kinderstoel.”

On the road met John Adams

P5A2108-credit-Jeff-Roffman

John Adams (foto: Jeff Roffman)

Oorspronkelijk geschreven voor KlassiekMagazine van de NTR ZaterdagMatinee)

De Amerikaan John Adams (1947) vaart al decennialang zijn eigen koers tussen Amerika en Europa. Als geen ander weet hij traditie en vooruitgang met elkaar te verbinden. In de ZaterdagMatinee is hij een graag geziene gast. Componist en musicoloog Anthony Fiumara over het oevre van Adams.
 
Sleutelmoment in Adams’ leven: in het midden van de jaren zeventig rijdt hij in zijn Karmann Ghia Convertible naar huis, na een concertavond vol experimentele muziek die hij zelf had geprogrammeerd. Tijdens zijn ritten door de Sierra Nevada luistert hij meestal naar heel andere muziek: strijkkwartetten van Beethoven, symfonieën van Sibelius. ‘De radio zond fragmenten uit van Wagners Götterdämmerung’, schreef hij later over dat moment. ‘Ik was als door de bliksem getroffen door die eenvoud en emotionele kracht! Opeens wist ik dat ik die intense emotionaliteit ook in mijn eigen muziek wilde bereiken.’
 

Adams’ beste beslissing

Adams heeft zich nooit veel aangetrokken van de paden die zijn voorgangers voor hem uitstippelden. Hij is tegelijkertijd een behoudend en een vernieuwend componist: een kunstenaar die ogenschijnlijk onverenigbare werelden weet samen te voegen tot een eigen amalgaam.
 
Hij is een halve generatie jonger dan de pioniers van het minimalisme (La Monte Young, Glass, Riley, Reich), maar groeide ook op met de modernistische klanken van Elliott Carter en het anarchisme van John Cage. Bovendien leerde hij als zoon van een bigband-saxofonist en een jazz-zangeres de populaire dansmuziek van zijn tijd van binnenuit kennen.
 

In Volkswagen Kever door Californië

De beste beslissing van zijn leven nam Adams in 1971 toen hij, vers van Harvard, in een Volkswagen Kever naar open minded Californië vertrok: de streek van Henry Miller’s Big Sur, de romans van Jack Kerouac en de muziek van John Cage, Lou Harrison en Jefferson Airplane.
 
Je zou kunnen zeggen dat hij daar zijn eigen stem vond in Shaker Loops, een werk voor strijkers uit 1978: een eerste verklanking van die Götterdämmerung-epifanie van een paar jaar eerder.
 

Emotionele kathedralenbouw

In Shaker Loops knoopt Adams voor het eerst minimalisme aan de breed opgezette emotionele getijden van de laatromantiek. In zijn virtuoos geschreven autobiografie Hallelujah Junction zegt hij: ‘In plaats van het opzetten van kleine motortjes van motivisch materiaal die de vrije loop krijgen in een willekeurig spel van contrapunt, gebruikte ik het weefsel van voortdurend herhalende cellen om grote architectonische vormen te bouwen. Zelfs binnen een enkel deel bood dat meer detail en variatie, en kende het zowel licht als donker, sereniteit en turbulentie.’
 

Minimalisme, romantiek, pop en jazz

In dezelfde periode schreef hij het werk voor twee piano’s Hallelujah Junction, genoemd naar een klein plaatsje in Californië, en vond hij zijn eigen compositorische stem op de weg vol splitsingen die iedere kunstenaar rijdt. Hij wist de motortjes van het minimalisme te verbinden met de emotionele kathedralenbouw van de Midden-Europese romantiek, maar ook met jazz en popmuziek: in Adams’ auto kijk je tegelijkertijd voor- en achteruit.
 
Het is geen toeval dat Adams’ enige twee bewerkingen van andermans werk ook muziek betreft die zich op de grens tussen conservatief en radicaal beweegt. Dat geldt zeker voor Ferruccio Busoni’s Berceuse élégiaque.
 

Edo de Waart

In de Nederlander Edo de Waart vond John Adams een pleitbezorger vanaf het eerste uur – Adams was in de jaren tachtig assistent bij De Waart, toen chef van het San Francisco Symphony Orchestra. De dirigent bracht Adams niet alleen in Amerika onder de aandacht, maar was ook een van de vroegste en grootste pleitbezorgers van de componist in de Matinee.
 
Hoe geliefd de Amerikaan bij het grote publiek ook is, kritiek op zijn eclectische, publieksvriendelijke manier van componeren kreeg Adams genoeg. De minimalisten zagen hem als een verrader van de pure stijl, de modernisten vonden zijn muziek te veel als Hollywood klinken en voor de neotonalen klonk hij juist te modern en te chromatisch.


Adams dirigeert het RFO en GOK tijdens het jubileumconcert op 20 november 2010 in het Concertgebouw.
 

Omstreden opera’s

De zwaarste kritiek kreeg Adams op zijn omstreden opera’s, weer zo’n genre waarin hij voor- en achteruit kijkt. Als chroniqueur van deze tijd gaat Adams de gevoelige onderwerpen niet bepaald uit de weg. Maar zijn personages ontstijgen altijd hun actuele context en worden zo archetypen, verwikkeld in maar al te menselijke universele vraagstukken.
 
Nixon in China, over het bezoek van de Amerikaanse president Nixon aan de Chinese leider Mao, werd aanvankelijk door sommige critici bestempeld als kitsch, vulgair, pompeus, cartoonesk. Maar inmiddels behoort deze opera tot de canon.
 

Peter Sellars

In zijn langdurige samenwerking met Peter Sellars componeerde Adams met het multimediale El Niño zelfs een hedendaags kerstoratorium, waarin een jonge Latijns-Amerikaanse vluchtelinge een kind baart en moet overnachten in een auto.
 
De laatste jaren verbreedde Adams zijn palet van harmonische rijkdom en stijlverwijzingen: zelfs het Europese modernisme vindt nu steeds meer een plaats in zijn muziek. In werken zoals Harmonielehre, zijn eerste Vioolconcert en Chamber Symphony lijkt Adams in gesprek met Schönberg, een dialoog die steeds meer ruimte krijgt.
 

Doolhof

In Absolute Jest, dat in maart 2015 in de ZaterdagMatinee zijn Nederlandse première kreeg, waart de geest van Beethoven om iedere hoek. En zijn orkestwerk City Noir, waarvoor de Matinee een van de opdrachtgevers was, is een doolhof van historische en hedendaagse verwijzingen.
 
Dat maakt nieuwsgierig naar de Nederlandse première van het Saxofoonconcert, zijn meest recente werk, op 6 mei 2017. De saxofoon heeft autobiografische connotaties voor Adams, die het instrument ‘een deel van mijn muzikale genealogie’ noemt. Zijn vader speelde altsax in swingbands in de jaren dertig en Adams hobbyde in zijn jeugd zelf met het blaasinstrument.
 

Adembenemende stroom noten

‘Het geluid van de saxofoon met orkest, in het bijzonder met strijkorkest, is gewoonweg magisch’, aldus Adams. ‘Het verbaasde me altijd dat er zo weinig saxofoonconcerten zijn – en al helemaal geen echt geweldig stuk zoals Mozarts Klarinetconcert.’ Zoals al Adams’ soloconcerten is ook dit weer een virtuoos werk: opdrachtgever Timothy McAllister speelt een halfuur lang een adembenemende stroom noten. Met Stan Getz en Charlie Parker als blauwdruk.
 
In 2017 wordt John Adams zeventig, maar zijn muziek klinkt nog altijd zo vitaal als veertig jaar geleden. ‘In mijn muziek heerst altijd een gevoel van verrassing, voor het onverwachte dat opdoemt, dat ervoor zorgt dat het landschap verandert en dat de stemming omslaat.’
 

Vliegtuig of snelle auto?

De componist van het vroege succeswerk Short Ride in a Fast Machine voegt daaraan toe: ‘Je kunt over een continent reizen in een vliegtuig op tien kilometer hoogte. Als je dan naar beneden kijkt zie je honderden kilometers aardoppervlak, maar wat je ziet verschuift heel traag. Of je kunt in een snelle auto zitten en honderdveertig rijden, terwijl de weg vóór je bijna iedere seconde verandert.’
Je mag één keer raden waar Adams voor kiest.
 

John Adams in het seizoen 2016-2017 van de NTR ZaterdagMatinee in het Concertgebouw. 
 
Berceuse élégiaque | 1 okt 2016 
Chamber symphony | 8 okt 2016
El Niño | 10 dec 2016
Son of Chamber Symphony | 14 jan 2017
Nixon in China | 11 feb 2017  
Saxofoonconcert en  Short Ride in a Fast Machine | 6 mei 2017

Canto ostinato (6): vraaggesprek met Residentie Orkest

150129Fiumara8925

(Op de site van het Residentie Orkest)

Wat betekent Canto ostinato voor jou?


Echte minimal-componisten zijn in Nederland vreemd genoeg op de vingers van één hand te tellen. Simeon ten Holt is er een van, maar hij ontwikkelde wel een hoogstpersoonlijke, sensuele stijl binnen die stroming. Zijn pianowerk Canto Ostinato zou je kunnen zien als het In C (Terry Riley) van de Nederlandse muziek. Ik vind Canto een hoogtepunt in zijn oeuvre—een werk waarnaar ik steeds opnieuw kan luisteren en dat me altijd weer raakt.

Ik leerde Canto kennen toen ik bij Donemus werkte als muziekredacteur, in het begin van de jaren negentig. Canto was een van de eerste cd-boxen die ik (met een flinke medewerkerskorting) kocht. Ik heb die opname sindsdien veel beluisterd. Soms verdwijnt Canto jaren uit mijn leven, maar het komt altijd weer terug. Zoals dat met alle goede muziek gaat. Het was geweldig om deze orkestversie te maken van deze ‘Matthäus Passion’ van de hedendaagse Nederlandse muziek.

Kan je nog de eerste keer herinneren dat je het hoorde?


De eerste keer hoorde ik het werk op cd, in de eerste Donemus-opname. Maar de mooiste herinnering heb ik aan de uitvoering door Jeroen en Sandra van Veen, tijdens een festival in Gelderland. Het duo speelde Canto toen in een loods, tegen een ondergaande zon die de ruimte langzaam in een rood licht zette. Er waren geen stoelen, veel mensen zaten op de betonnen vloer. Ik weet nog dat ik vóór de eerste noten dacht ‘daar gaan we, ik zit hier de komende twee uur vast’. Maar dat gevoel verdween meteen toen Jeroen en Sandra begonnen. Twee uur voelden als tien minuten en ik moet al die tijd ruim boven de vloer hebben gezweefd. Zij zijn nog steeds mijn ideale uitvoerders van Canto. Bovendien heb ik veel aan de tips van Jeroen gehad bij het bewerken.

Hoe ga je als arrangeur te werk?


Canto bewerken voor orkest is meer dan arrangeren. Ik moest bepaalde keuzes maken die verder gingen dan het verdelen van de stemmen over de instrumenten van het orkest. De klank van de piano, het instrument waarvoor Canto ostinato is gecomponeerd, is als een zwart-witfoto. Een goede pianist kan kleuren suggereren zonder dat die daadwerkelijk te horen zijn. De piano speelt een spel met de verbeelding van de luisteraar. En van de speler.

De vier piano’s van Canto Ostinato klinken als een monochroom doek, als een colorfield painting van Mark Rothko of Ad Reinhardt. Uitgevoerd door piano’s ontstaat een homogene klank die, als je je ogen dichtdoet, evengoed uit één, twee, of tien instrumenten zou kunnen komen. De klanken versmelten tot één object, wentelend in de tijd.

Dat monochrome, homogene karakter van de oorspronkelijke versie wilde ik ook behouden in mijn orkestratie. Canto is geen compositie van plotselinge klank- of kleurwisselingen, noch van grote variatie in speeltechnieken of geprononceerde instrumentatieverschillen.

Het materiaal en zijn trage metamorfose in de tijd moeten centraal staan—teveel nadruk op instrumentatie leidt alleen maar af van die fluïde afwikkeling van de tijd, die altijd het onderwerp is—zoals ook de piano’s slechts voertuigen zijn van de vorm, het idee en het constante verlangen naar de horizon in Canto.

Een vertaling van de vier piano’s van Canto Ostinato naar orkest maken, is alsof je een tafeldiscussie gaat voeren met zestig man. Strijkt dat het idee van Canto tegen de haren of is het wel degelijk mogelijk?

Ik denk dat het kan, al wordt het een ander soort gesprek. Zoals je een groepsdiscussie moet voorzitten of in kleine groepen moet verdelen (wil je niet in chaos verzanden)—zo moest mijn orkestratie in banen worden geleid, in de geest van het stuk.

Het orkest is een enorme machine met zijn eigen wetten en gedrag. Voor dat apparaat heb ik een vertaling gemaakt van de instructies en vrijheden die Simeon ingebouwd heeft in de notatie. Zo heb ik het orkest in twee helften verdeeld, die voortdurend met elkaar in dialoog zijn—precies zoals de pianisten in het origineel. Zoals bij een literaire vertaling kun je niet alle nuances, woordspelingen en cultureel bepaalde betekenissen letterlijk omzetten. Maar bij een goede vertaling komt daar wat voor in de plaats, met behoud van de geest van het origineel.

Waarom moeten mensen deze versie komen beluisteren?


Het is alsof je Canto Ostinato ineens in kleur kunt horen. Ik kon lijnen en bewegingen hoorbaar maken die je nooit in de pianoversie zijn opgevallen. Ten Holt noemde zijn veelgebruikte bezetting van meerdere piano’s zijn ‘persoonlijke orkest’. En in een interview met Erik Voermans noemde Ten Holt zichzelf een romanticus, meer verwant met Schumann dan met Glass of Reich. Romanticus, Schumann, persoonlijk orkest: ik denk dat Canto vroeg om een orkestrale versie. Ik was eerlijk gezegd verbaasd dat nog nooit iemand anders op dat idee is gekomen.

De luisteraar krijgt een Canto die verzadigd is van kleur, uitgevoerd met de gebaren zoals alleen een symfonieorkest die kan maken. Deze orkestversie gaat je bij uitstek het gevoel geven dat je deel uitmaakt van de muziek. Als Canto voor orkest een film was, zou ik zeggen ‘als je het boek mooi vindt, kom dan zeker naar de bioscoop.’

Kende je het Residentie Orkest al?


Natuurlijk! Tot een paar jaar geleden schreef ik als recensent voor Trouw zo nu en dan over het Residentie Orkest. En, belangrijker, ik volg het orkest al sinds chef-dirigent Hans Vonk in de jaren tachtig. Ik heb geweldige concerten gehoord door het Residentie Orkest, veel nieuwe muziek ook, en ik heb een heleboel albums met schitterende opnamen. Vonk, Svetlanov en Van Zweden hebben prachtig werk gedaan met de musici. En ik vind het heel goed dat het orkest een belangrijke rol speelt in Dag in de Branding. Roland Kieft heeft het Residentie Orkest de afgelopen tijd een eigen gezicht gegeven, met een belangrijke rol voor de hedendaagse muziek—tegen de stroom in, zou ik bijna zeggen.

Ik denk dat het orkest met zulke eigenzinnige en prikkelende programmering een interessante speler blijft in het Nederlandse orkestlandschap. Het bewijst dat orkestmuziek bepaald geen museum is, maar een springlevende vorm die nog altijd tot de verbeelding spreekt van componisten en luisteraars.

Mijn orkestbewerking van Canto ostinato in opdracht van het Residentie Orkest is klaar. Première op 13, 14, 15 mei 2016 in Rotterdam, Den Haag en Zwolle. Op deze plek deed ik regelmatig verslag van mijn werkproces. En schreef ik over alles wat me opviel in Canto.