Canto ostinato (6): vraaggesprek met Residentie Orkest

150129Fiumara8925

(Op de site van het Residentie Orkest)

Wat betekent Canto ostinato voor jou?


Echte minimal-componisten zijn in Nederland vreemd genoeg op de vingers van één hand te tellen. Simeon ten Holt is er een van, maar hij ontwikkelde wel een hoogstpersoonlijke, sensuele stijl binnen die stroming. Zijn pianowerk Canto Ostinato zou je kunnen zien als het In C (Terry Riley) van de Nederlandse muziek. Ik vind Canto een hoogtepunt in zijn oeuvre—een werk waarnaar ik steeds opnieuw kan luisteren en dat me altijd weer raakt.

Ik leerde Canto kennen toen ik bij Donemus werkte als muziekredacteur, in het begin van de jaren negentig. Canto was een van de eerste cd-boxen die ik (met een flinke medewerkerskorting) kocht. Ik heb die opname sindsdien veel beluisterd. Soms verdwijnt Canto jaren uit mijn leven, maar het komt altijd weer terug. Zoals dat met alle goede muziek gaat. Het was geweldig om deze orkestversie te maken van deze ‘Matthäus Passion’ van de hedendaagse Nederlandse muziek.

Kan je nog de eerste keer herinneren dat je het hoorde?


De eerste keer hoorde ik het werk op cd, in de eerste Donemus-opname. Maar de mooiste herinnering heb ik aan de uitvoering door Jeroen en Sandra van Veen, tijdens een festival in Gelderland. Het duo speelde Canto toen in een loods, tegen een ondergaande zon die de ruimte langzaam in een rood licht zette. Er waren geen stoelen, veel mensen zaten op de betonnen vloer. Ik weet nog dat ik vóór de eerste noten dacht ‘daar gaan we, ik zit hier de komende twee uur vast’. Maar dat gevoel verdween meteen toen Jeroen en Sandra begonnen. Twee uur voelden als tien minuten en ik moet al die tijd ruim boven de vloer hebben gezweefd. Zij zijn nog steeds mijn ideale uitvoerders van Canto. Bovendien heb ik veel aan de tips van Jeroen gehad bij het bewerken.

Hoe ga je als arrangeur te werk?


Canto bewerken voor orkest is meer dan arrangeren. Ik moest bepaalde keuzes maken die verder gingen dan het verdelen van de stemmen over de instrumenten van het orkest. De klank van de piano, het instrument waarvoor Canto ostinato is gecomponeerd, is als een zwart-witfoto. Een goede pianist kan kleuren suggereren zonder dat die daadwerkelijk te horen zijn. De piano speelt een spel met de verbeelding van de luisteraar. En van de speler.

De vier piano’s van Canto Ostinato klinken als een monochroom doek, als een colorfield painting van Mark Rothko of Ad Reinhardt. Uitgevoerd door piano’s ontstaat een homogene klank die, als je je ogen dichtdoet, evengoed uit één, twee, of tien instrumenten zou kunnen komen. De klanken versmelten tot één object, wentelend in de tijd.

Dat monochrome, homogene karakter van de oorspronkelijke versie wilde ik ook behouden in mijn orkestratie. Canto is geen compositie van plotselinge klank- of kleurwisselingen, noch van grote variatie in speeltechnieken of geprononceerde instrumentatieverschillen.

Het materiaal en zijn trage metamorfose in de tijd moeten centraal staan—teveel nadruk op instrumentatie leidt alleen maar af van die fluïde afwikkeling van de tijd, die altijd het onderwerp is—zoals ook de piano’s slechts voertuigen zijn van de vorm, het idee en het constante verlangen naar de horizon in Canto.

Een vertaling van de vier piano’s van Canto Ostinato naar orkest maken, is alsof je een tafeldiscussie gaat voeren met zestig man. Strijkt dat het idee van Canto tegen de haren of is het wel degelijk mogelijk?

Ik denk dat het kan, al wordt het een ander soort gesprek. Zoals je een groepsdiscussie moet voorzitten of in kleine groepen moet verdelen (wil je niet in chaos verzanden)—zo moest mijn orkestratie in banen worden geleid, in de geest van het stuk.

Het orkest is een enorme machine met zijn eigen wetten en gedrag. Voor dat apparaat heb ik een vertaling gemaakt van de instructies en vrijheden die Simeon ingebouwd heeft in de notatie. Zo heb ik het orkest in twee helften verdeeld, die voortdurend met elkaar in dialoog zijn—precies zoals de pianisten in het origineel. Zoals bij een literaire vertaling kun je niet alle nuances, woordspelingen en cultureel bepaalde betekenissen letterlijk omzetten. Maar bij een goede vertaling komt daar wat voor in de plaats, met behoud van de geest van het origineel.

Waarom moeten mensen deze versie komen beluisteren?


Het is alsof je Canto Ostinato ineens in kleur kunt horen. Ik kon lijnen en bewegingen hoorbaar maken die je nooit in de pianoversie zijn opgevallen. Ten Holt noemde zijn veelgebruikte bezetting van meerdere piano’s zijn ‘persoonlijke orkest’. En in een interview met Erik Voermans noemde Ten Holt zichzelf een romanticus, meer verwant met Schumann dan met Glass of Reich. Romanticus, Schumann, persoonlijk orkest: ik denk dat Canto vroeg om een orkestrale versie. Ik was eerlijk gezegd verbaasd dat nog nooit iemand anders op dat idee is gekomen.

De luisteraar krijgt een Canto die verzadigd is van kleur, uitgevoerd met de gebaren zoals alleen een symfonieorkest die kan maken. Deze orkestversie gaat je bij uitstek het gevoel geven dat je deel uitmaakt van de muziek. Als Canto voor orkest een film was, zou ik zeggen ‘als je het boek mooi vindt, kom dan zeker naar de bioscoop.’

Kende je het Residentie Orkest al?


Natuurlijk! Tot een paar jaar geleden schreef ik als recensent voor Trouw zo nu en dan over het Residentie Orkest. En, belangrijker, ik volg het orkest al sinds chef-dirigent Hans Vonk in de jaren tachtig. Ik heb geweldige concerten gehoord door het Residentie Orkest, veel nieuwe muziek ook, en ik heb een heleboel albums met schitterende opnamen. Vonk, Svetlanov en Van Zweden hebben prachtig werk gedaan met de musici. En ik vind het heel goed dat het orkest een belangrijke rol speelt in Dag in de Branding. Roland Kieft heeft het Residentie Orkest de afgelopen tijd een eigen gezicht gegeven, met een belangrijke rol voor de hedendaagse muziek—tegen de stroom in, zou ik bijna zeggen.

Ik denk dat het orkest met zulke eigenzinnige en prikkelende programmering een interessante speler blijft in het Nederlandse orkestlandschap. Het bewijst dat orkestmuziek bepaald geen museum is, maar een springlevende vorm die nog altijd tot de verbeelding spreekt van componisten en luisteraars.

Mijn orkestbewerking van Canto ostinato in opdracht van het Residentie Orkest is klaar. Première op 13, 14, 15 mei 2016 in Rotterdam, Den Haag en Zwolle. Op deze plek deed ik regelmatig verslag van mijn werkproces. En schreef ik over alles wat me opviel in Canto.


Canto ostinato (5): liever Schumann dan Glass

melodie

Einstein on the Beach vond ik destijds fantastisch. Maar Canto is toch qua concept, qua structuur en uitdrukking totaal anders. Riley, Glass en Reich zijn typische Amerikanen. Dan voel ik me liever verwant aan Schumann, eerlijk gezegd.


Natuurlijk ben ik een romanticus! Dat is iedereen toch? Door al die herhalingen wordt het veel Mondriaan-achtiger dan ik misschien heb bedoeld.Simeon ten Holt


Mijn orkestratie van Canto ostinato is klaar. Het materiaal is intussen naar het orkest gestuurd en het wachten is op de eerste repetities. Bij het werken aan de partituur stuitte ik op veel vragen, niet in de laatste plaats omdat de rotondemuziek van Ten Holt vaak haaks stond op de kruispuntmuziek die een orkest op de lessenaar verwacht (zie een vorig blog over dit onderwerp).

Al orkestrerend vroeg ik me steeds meer af of een luisteraar zou kunnen horen of de vorm van tevoren is vastgelegd, of dat die ontstaat tijdens het spelen. Dat laatste is wat Ten Holt van een uitvoerder van Canto vraagt.

Door de speler ruimte te geven voor zelfstandige keuzes met betrekking tot het aantal herhalingen, de dynamiek en de speelwijze, geeft Ten Holt een deel van zijn werk als componist uit handen. Hij verplicht de spelers om het over die aspecten met elkaar eens te worden.

Maar het is de speler die de notentekst (en het voorwoord) uiteindelijk moet interpreteren: de partituur biedt uitdrukkelijk ruimte voor romantische, mysterieuze, zakelijke of minimalistische interpretaties—en alle mogelijke andere varianten. En tussen de dertig minuten en drie uur muziek. Als de componist het niet eens is met die interpretatie, had hij dat moeten voorkomen in zijn partituur. Het notenschrift kent talloze imperatieven.

Het is aan de speler op welke manier hij de vrijheid van Canto vormgeeft. Als hij met zijn ensemble een jaar lang met het stuk bezig wil zijn om het helemaal te leren kennen en om een bewustzijnsproces te voltooien, dan is dat aan hem. Maar als hij besluit om via afspraken vooraf het aantal herhalingen, de dynamiek en de speelwijze vast te leggen voor alle komende uitvoeringen, dan biedt de partituur hem daar ook gelegenheid toe.

Ervaring leert dat de meeste spelers Canto al snel in een min of meer gefixeerde vorm consolideren. En ook: hoe vertaal je die vrijheid naar een solo-uitvoering, door één pianist, harpist of organist?

Dan de toehoorder: is het onderwerp van Canto voor de luisteraar wel die vrijheid? Een kunstwerk is geen essay, onderbouwd met feiten en geschraagd door voetnoten. Het laat ruimte voor interpretatie, voor een esthetische ervaring. En die is voor iedereen anders. Ik denk dat Canto voor veel fans een romantisch werk is, met de melodie als hoogtepunt.

Het orkest is een enorme machine met zijn eigen wetten en gedrag. Voor dat apparaat heb ik een vertaling gemaakt van de instructies en vrijheden die Simeon ingebouwd heeft in de notatie. Zoals bij een literaire vertaling kun je niet alle nuances, woordspelingen en cultureel bepaalde betekenissen letterlijk omzetten. Maar bij een goede vertaling komt daar wat voor in de plaats, met behoud van de geest van het origineel.

Mijn orkestbewerking van Canto ostinato in opdracht van het Residentie Orkest is klaar. Première op 13, 14, 15 mei 2016 in Rotterdam, Den Haag en Zwolle. Op deze plek deed ik regelmatig verslag van mijn werkproces. En schreef ik over alles wat me opviel in Canto.

De citaten van Simeon ten Holt komen uit het boek Van Andriessen tot Zappa, van Erik Voermans. Een prachtige verzameling interviews met hedendaagse componisten. Het boek is te bestellen bij Deuss Music.