Absolute Jest

Beethoven door de blender: Absolute Jest van John Adams



De Amerikaanse componist John Adams behoeft geen introductie meer. Nog steeds roept zijn werk regelmatig controverses op, zoals recent bij de herneming van The Death of Klinghoffer in New York. Pers en publiek waren na de première ook verdeeld over Absolute Jest. In dat werk voor strijkkwartet en orkest treedt Adams in de voetsporen van Beethoven treedt.

Zagen we al bij Haydn dat die de archaïsche vorm van de sonata da chiesa gebruikt in zijn symfonie, zo grijpt Adams met zijn concert voor strijkkwart op zijn beurt terug op het barokke genre van het concerto grosso: daarin heeft het concertino van (in dit geval) het strijkkwartet de collectieve rol van solist, in retorische interactie met het concerto, het orkest.

Behalve componist is Adams ook een begenadigd schrijver. Ik laat hem hier dus liever zelf aan het woord over Absolute Jest.

“Het idee voor Absolute Jest werd geboren door een uitvoering van Stravinskys Pulcinella. Toen ik er naar aan het luisteren was, werd ik plotseling gegrepen door de manier waarop Stravinsky de muzikale artefacten uit het verleden had geabsorbeerd en verwerkt in zijn eigen hoogst persoonlijke taal.

Maar daar houdt de vergelijking wel op. Stravinsky was blijkbaar onbekend met Pergolesi en andere Napolitaanse liedjes, totdat Diaghilev ze aan hem introduceerde. Ik hield daarentegen al van Beethovens strijkkwartetten sinds ik een tiener was. Zelf iets maken uit fragmenten van Opus 131, Opus 135 en de Große Fuge (plus een paar bekendere ‘tatoeages’ van zijn symfonische scherzi) was voor mij heel vanzelfsprekend.

‘Strijkkwartet en orkest’ is blijkbaar een zwart gat in het klassieke repertoire. Daar zijn goede redenen voor. Ten eerste simpelweg de kwestie van het meubilair: het plaatsen van vier solisten op de plaats van de solist — en dan ook nog vóór op het podium (zodat ze de dirigent kunnen volgen) — is een hele uitdaging.


Niet tevreden


Bij de première in maart 2012 was een derde van de van het stuk grotendeels een trope [een soort variatie, AF] op het scherzo van strijkkwartet Opus 131 in Cis-klein — en leed het precies aan dit probleem.

Ik was niet tevreden over de originele opening. De heldere rol van het solokwartet raakte vaak overspoeld door orkestrale activiteit. Zes maanden na de première besloot ik een nieuwe opening voor Absolute Jest te maken.

De rollende 6/8 patronen doen nu denken aan het scherzo uit de Negende Symfonie, maar roepen ook andere associaties op: aan de Hammerklaviersonate, de Achtste symfonie en meer archetypische beethovenmotieven die komen en gaan als cameo-optredens op een theaterpodium.

Het levenslustige scherzo in driedelige maatsoort in F-groot uit Opus 135 (Beethovens laatste werk voor strijkkwartet) verschijnt ongeveer op een derde van Absolute Jest. Het wordt het dominante motivische materiaal voor de rest van het stuk —alleen nog onderbroken door een kort langzaam deel, waarin fragmenten uit de Große Fuge verweefd worden met het fugatische openingsthema van het Cis-kleinkwartet.

In het laatste, woedende, coda is de hoofdrol weggelegd voor het solostrijkkwartet, dat energiek vooruit-racet over een lange pedaaltoon [in dit geval een lang liggend akkoord, AF], gebaseerd op de harmonische progressies van de beroemde Waldsteinsonate.



Grap


Absolute Jest riep bij zijn eerste uitje gemengde reacties op van luisteraars. Nogal wat recensenten veronderstelden dat het werk, misschien vanwege de titel, weinig meer was dan een dijenkletser. (Een journalist uit Chicago was beledigd en kon alleen maar afschuw uiten over het misbruik van Beethovens geweldige muziek).

Er is bepaald niets nieuws aan een componist die de muziek van een ander incorporeert waardoor het ‘van hem’ wordt. Componisten worden aangetrokken tot andermans muziek, tot het punt waar ze ‘erin willen in het leven’. Dat kan op verschillende manieren gebeuren — of het nu Brahms is die variaties op thema's van Händel en Haydn maakt, Liszt die Wagner of Beethoven arrangeert voor piano, Schönberg die een concerto maakt met materiaal van Monn of, nog radicaler, Berio die Schubert reconstrueert.

De ‘grap’ in de titel moet worden begrepen in zijn Latijnse betekenis, ‘gesta’: handeling, daad, uitbaten. Ik beschouw ‘jest’ als aanduiding voor de oefening je verstand, door middel van verbeelding en inventie.”

John Adams: Absolute Jest | Radio Filharmonisch Orkest, Doric String Quartet, Markus Stenz
Zaterdag 28 maart, ZaterdagMatinee, Concertgebouw Amsterdam

Deze tekst werd geschreven als programmatoelichting voor de ZaterdagMatinee