Philip Glass

Vijf vragen aan…Anthony Fiumara

2863643809

Op 17 november gepubliceerd op de site van het
Noord Nederlands Orkest

Composer in residence bij het Noord Nederlands Orkest Anthony Fiumara maakte voor het concert ‘What’s on David Bowie’s Playlist’ onder de titel Bowie XL for orchestra een compilatie van de grote Bowie-hits. Het NNO stelde hem vijf vragen, over zijn eigen relatie tot het internationale popicoon David Bowie.

Ben je zelf een Bowie-fan?
‘Een echte fan zou ik mezelf niet durven noemen. Maar toen ik voor Bowie XL weer eens uitgebreid naar zijn werken luisterde, raakte ik weer onder de indruk van de enorme hoeveelheid hits die Bowie de wereld heeft geschonken. Wat een output! Bowie is bovendien een echte rockster. In de loop van zijn carrière heeft hij zichzelf telkens opnieuw uitgevonden en gaat hij moeiteloos mee met zijn tijd—of eigenlijk loopt hij vaak net een beetje vooruit en volgt iedereen hem daarna. En toch herken je zijn songs uit duizenden. Hoewel Bowies songs simpel lijken, zijn ze onder de motorkap vaak best complex. En er zit altijd een donkere kant in zijn muziek: zelfs ogenschijnlijk lichte tracks zoals Let’s Dance dompelt hij uiteindelijk onder in melancholie. Die onbestemde tweeslachtigheid, die zwarte diepte onder het glimmende oppervlak, die vind je ook terug in zijn uiterlijke verschijning. En zelfs in zijn twee verschillende oogkleuren.’

Wanneer kwam je voor het eerst met zijn muziek in aanraking?
‘Ik zie mezelf als kleine jongen thuis voor de televisie zitten (TopPop?) en gebiologeerd luisteren en kijken naar Sound and Vision, van de LP Low. In mijn herinnering was er een videoclip bij de muziek, maar die heb ik nooit meer teruggevonden. Misschien heb ik die er later bij verzonnen, maar zeker in zijn vroege werk vind ik Bowie bijna filmische muziek maken.’

Voor het concert arrangeerde je de nummers Space Oddity, Heroes, Life on Mars, Sound and Vision, Heathen (The Rays) en Let’s Dance. Wat zijn jouw persoonlijke Bowie favorieten?
‘Ik vind Bowie echt een album-artiest: de LP’s die hij maakte, vormen stuk voor stuk één verhaal. Op die albums staan wel nummers die ik beter gelukt vind dan andere, maar toch luister ik vaak een hele LP. Dat is bijzonder. De LP’s Low, Heroes, Station to Station en Let’s Dance zijn mijn favorieten. Zijn samenwerkingen met producers Tony Visconti, Brian Eno en Nile Rodgers leveren daar een chemie op die nog steeds van de muziek afknettert.’

Hoe pak je dat aan, zo’n bewerking van wereldberoemde nummers?
‘De opdracht was om dicht bij het origineel te blijven: de Bowie-fans moesten bij wijze van spreken met het orkest kunnen meezingen. Eerst heb ik een long list gemaakt, die ik geleidelijk aan heb ingedikt tot deze zes tracks. Ik heb gekeken welke nummers het interessantst zouden klinken voor orkest, maar ook naar een goede afwisseling tussen snelle en langzame songs. Daarna ben ik gaan puzzelen. Om het een beetje moeilijker voor mezelf te maken, heb ik de nummers in de oorspronkelijke toonsoorten laten staan. Dat betekende dat ik slimme overgangen moest maken, waardoor de songs op een natuurlijke manier in elkaar overvloeien. En ik moest een ’tonaal plan’ hebben, om te kijken hoe ik van de ene naar de andere toonsoort reisde zonder dat het ontspoorde. Ik wist meteen dat ik zou beginnen met Let’s Dance: in mijn hoofd hoorde ik het orkest die riff al spelen voordat ik hem op papier had. Dat de hoorns vervolgens Space Oddity inzetten en aankondigen, volgde daar logisch uit.’

Bowie was voor velen – ook buiten de muziekwereld – een bron van inspiratie. In hoeverre geldt dat ook voor jou?
‘Niemand in de popmuziek kan om Bowie heen: hij heeft zó veel stromingen geïnitieerd of beïnvloed, om vervolgens altijd weer zijn eigen weg te bewandelen. Dat is heel sterk. Ik denk dat ik zelf door de Low Symphony en de Heroes Symphony van Philip Glass met andere oren ben gaan luisteren naar Bowie. Glass vergroot bepaalde aspecten uit Bowies songs die ik tot dan toe niet zo bewust had waargenomen. Die persoonlijke vertaling van pop naar klassiek is zeker een inspiratie geweest voor mijn eigen bewerkingen: van Aphex Twin en Massive Attack tot Terry Riley en Brian Eno.’

Bowies helden

david-bowie-portable

Voor het Noord Nederlands Orkest maakte ik een compilatie van Bowie-songs, getiteld Bowie XL. De connectie tussen de Engelse zanger en de klassieke muziek lijkt misschien non-existent, maar Bowie heeft altijd een grote affiniteit gehad met andere kunstenaars.

Zo verwijst hij in zijn songs regelmatig naar werk van anderen. Neem bijvoorbeeld Space Oddity, een openlijke toespeling op Stanley Kubricks film 2001, A Space Odyssey. Of neem de song See Emily Play, die een citaat bevat uit Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra. En liet Bowie in zijn bewondering voor componisten als Strauss en John Adams meermaals in muziek en woord blijken, zo raakte Glass op zijn beurt geïnspireerd door het Engelse popfenomeen.


David Bowie en de Vier letzte Lieder van Richard Strauss


Intrigerend genoeg bestaat er nog een connectie tussen Bowie en Strauss, die waarschijnlijk zelfs voor de meeste Bowie-fans vrijwel verborgen is gebleven. Bowie is een groot liefhebber van Strauss‘ Vier letzte Lieder, een werk dat de Duitse componist schreef na de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, vlak voor zijn dood in 1949. Voor zijn album Heathen uit 2002 wilde Bowie eenzelfde soort atmosfeer creëren als die in Strauss‘ liederen.

Bowie: “Als artiest wilde ik niet dat Heathen leek op wat ik al had had gedaan, hoewel ik niet denk dat dat ik ben teruggeschrokken van technieken die ik in het verleden heb gebruikt. Ik wilde alle dingen samenbrengen die belangrijk voor mij waren als songwriter en zanger. Zo wilde ik muziek creëren die zijn eigen tijd zou ademen. Ik aarzel om het woord ‘tijdloos‘ te gebruiken, omdat dat zo onbescheiden klinkt. Maar ik denk echt dat ik heb geprobeerd een tijdloos kunstwerk te maken.”

“Een van de dingen die mij door de jaren heen hebben geraakt, zijn de Vier letzte Lieder van Richard Strauss. Het waren letterlijk de vier laatste liederen die hij ooit schreef. Hij was dik in de tachtig toen hij ze schreef. Ze gaan over de lente, de zomer, de herfst en de winter. Het zijn zulke aangrijpende muziekwerken: ik wilde gewoon iets maken op een pop/rock-manier waarin ik dezelfde gravitas en spirituele twijfel zou vangen die zo evident in zijn vier liederen aanwezig zijn.”

De tijd en het tikken van de klok zijn daarom duidelijk als thema aanwezig op het album Heathen. “Als je jong bent, weet je niet erg veel en ben je altijd bezig ‘iets te worden’. Naarmate je een oudere man wordt”, zegt Bowie, “Is er een einde aan dingen en komt het besef van de eindigheid van de tijd. Eigenlijk ben je bezig het moment te voelen, want dat is alles wat je hebt. Je moet echt inventariseren wat je wilt als songwriter, of wat je van het leven wilt. Dat is niet negatief of ellendig. Het is een langzaam besef van wat de realiteit is.”

Als je naar het album luistert, begrijp je wat Bowie bedoelt met zijn verwijzing naar Strauss. Die is niet letterlijk, zoals het Zarathustra-citaat in See Emily Play — Heathen verwijst nergens letterlijk naar de Vier letzte Lieder van Strauss. Toch deelt de track The Rays muzikale gelijkenissen met de nachtelijke en hoopvolle stemming bij Strauss. Met een ondertoon van melancholie, vanwege het langzame loslaten van de wereld.

Zo lijkt de tekst van Bowies The Rays op Strauss’ Im Abendrot, naar een gedicht van Joseph von Eichendorff. Allebei de teksten gaan over sterven en het accepteren daarvan, met de schoonheid van de avondschemering als metafoor. En er zijn algemene verwijzingen: naar God (I would be Your Slave), of naar de donkere nacht en naar wederopstanding (Sunday).

Nu we het er toch over hebben: zou het toevallig zijn dat het album Heathen in 2002 uitkwam op 11 juni, Strauss‘ geboortedag?


De heroes van Philip Glass


Na de Low symfonie is de Heroes symfonie van Philip Glass is de tweede waarin de gewezen minimalist verwijst naar muziek van Bowie. Het album Heroes stamt uit 1977 en markeert Bowies radicaal andere koers na zijn androgyne Ziggy Stardust-jaren. Voor Low en Heroes, de eerste twee platen in de ‘Berlijn-trilogie’, werkte Bowie samen met Brian Eno — en dat is duidelijk te horen aan het soundscape-achtige karakter, met veel elektronica en en abstracte commentaren.

In zijn Heroes symfonie zet Glass de muziek van Bowie en Eno naar zijn eigen hand. Glass schreef hier zelf ooit over: “In hun innovatieve opnames uit de jaren zeventig combineerden David Bowie en Brian Eno invloeden uit de wereldmuziek, experimentele avantgarde en rock ’n’ roll — ze definieerden de toekomst van de popmuziek daarmee opnieuw. Tot op de dag van vandaag laat de invloed van deze muziek zich gelden als klassiekers van deze tijd.”

“Net zoals componisten uit het verleden muziek uit hun tijd gebruikten als basis voor nieuw werk, zo vormden Bowie en Eno een inspiratiebron en vertrekpunt van een reeks van mijn eigen symfonieën. Ik heb zes tracks van de oorspronkelijke Bowie/Eno-opname als basis gebruikt. Door het combineren van hun thema;s met mijn eigen, nieuw gecomponeerde muziek had ik op een gegeven moment een zesdelig werk van een symfonische lengte.”

Glass zegt zelf al: hij gebruikte de Heroes-muziek als basis en ging er vervolgens mee aan de haal. Daarom is het zelf voor een doorgewinterde Bowie-kenner soms moeilijk om het oorspronkelijke materiaal erin terug te horen.

Dat vond Bowie zelf waarschijnlijk ook, alleen verwoordt hij het net even wat anders: “Philip heeft meer van zichzelf in deze nieuwe symfonie gelegd. Maar het ironische is dat hij precies de vinger heeft gelegd op mijn originele stem. Het materiaal beluisteren is zoiets als de broer of zus ontmoeten, van wie je altijd had gehoord dat je die had maar van wiens bestaan je nauwelijks op de hoogre was. En als je ze dan ontmoet, zie je natuurlijk de familietrekjes, maar er heeft zich ook een heel eigen leven voltrokken zonder dat je daarvan wist.”

“Glass muziek heeft karakteristieken die ik onmiddellijk herken, maar ze leidt haar eigen leven. Ze heeft niks met mij te maken. Ze bevat allemaal ervaringen waarvan ik niets wist. Ze kent een hele waaier aan emoties, van diepe wanhoop in Neuköln tot het omhoog spiraleren van V2 Schneider. Die twee delen in het bijzonder vangen voor mij echt wat ik zelf geprobeerd heb te doen. Ik vond dat echt opwindend. Het was alsof Philip mijn stem verwerkt had — maar op een of andere manier veel dichter bij de gut feeling was uitgekomen van wat ik zelf probeerde te doen.”


John Adams: het huwelijk tussen minimal en romantiek


Toen David Bowie in 2010 door de Engelse krant The Guardian werd gevraagd wat er op zijn iPod stond, noemde hij behalve een hoop pop en wereldmuziek ook tot twee keer toe werk van de klassieke componist John Adams (naast muziek van een andere componist uit de minimalistische hoek, Steve Reich). Over For with God No Thing Shall Be Impossible uit Adams’ kerstoratorium El Niño zei Bowie in telegramstijl: “Net iets meer dan een minuut lang en stuwend als een storm. Ik wil meubilair kapotslaan. Het emotionele op zoektocht naar het goddelijke.” En over Soldiers of Heaven Hold the Sky uit de opera Nixon in China: Adams’ minimalisme verhult de rijke romantiek van zijn melodieën. Immer opstijgend, boven de wolken uit verrijzend. Je bent nog steeds cool voor mij, John.”

Over ‘stuwend als een storm’ gesproken: het korte orkestwerk Short Ride in a Fast Machine van John Adams is de overtreffende trap van storm: het is een klinkende bolide. In de zomer van 1971 pakt een jonge Amerikaanse componist in East Concord, New Hampshire al zijn spullen in een Volkswagen Kever en rijdt helemaal naar Californië. Wat hij aan de andere kant van het continent zoekt, weet hij nog niet precies.

Misschien is hij nieuwsgierig geworden na het lezen Henry Millers Big Sur en de romans van Jack Karouac, na het beluisteren van de muziek van John Cage, Lou Harrison en Jefferson Airplane. Hij had naar Europa kunnen gaan, zoals zoveel van zijn studiegenoten. Maar op een of andere manier heeft hij het idee dat San Francisco beter bij zijn radicale ideeën past.

De eenvoud die Adams al die tijd zoekt, vindt hij ten slotte in het minimalisme van Steve Reich, Terry Riley en Philip Glass. Die eeuwige herhalingen gebruikt hij als vehikel voor de romantische expressie in zijn eigen muziek. Het pianowerk Phrygian Gates, waarin Adams een Sibelius-achtige symfonische vorm en techniek paart aan een opwindende poppy drive, betekent zijn doorbraak bij het grote publiek. In de vroege jaren tachtig schaart het tijdschrift Time John Adams naar aanleiding van dat werk onder de jongste lichting minimalisten – een categorie die de lading bij lange na niet dekt, maar die hem wel in één klap gelijkschakelt met de grote namen van de generatie vóór hem.

Short Ride In A Fast Machine is een typisch werk van de jonge Adams, waarin de balans nog erg bij de genadeloze motoriek van het minimalisme ligt. Toch hoor je in lyrische trompetten al de romantische inslag, die Adams uitleefde in zijn recentere werken, zoals de opera Doctor Atomic. Het emotionele op zoek naar het goddelijke: dat is nog niet zo slecht verwoord door Bowie.

Bowie XL / Noord Nederlands Orkest, Antony Hermus
11 & 12 december / Oosterpoort Groningen
Bestel hier je tickets

Snelheid

Bij een ouverture hoort snelheid. Lichtheid. Op een feestje moet tenslotte gedanst kunnen worden. Geen trage zwaarmoedigheid dus voor mijn orkestwerk voor het Noord Nederlands Orkest, maar tempo tempo tempo. En het liefst een meezinger.

De afgelopen weken heb ik wat schetsen opgezet waarin ik die snelheid probeer te maken. Tempo komt meestal van een motortje dat al aanstaat als de muziek begint. Soms in de klarinetten, soms in de strijkers of marimba's.

In een van mijn laatste stukken, Impure, heb ik dat machientje tot onderwerp van het stuk gemaakt. De muziek dendert minutenlang voort. Het enige dat verandert, zijn de akkoorden en de instrumentatie.



Ik heb zitten luisteren naar hoe andere componisten dat doen, snelheid maken. De Walkürenritt van Richard Wagner vind ik een geweldig voorbeeld: je hoort hoe de violen de machine starten. De blazers zetten een galop in en de walküren vliegen om je oren. De snelheid is die van vóór de stoomtrein, maar het stuk tilt je nog steeds van de grond.
Adembenemend.



Van ver ná de stoomtrein is Short Ride in a Fast Machine van John Adams, een van mijn favoriete orkestwerken als het om vaart gaat. De klarinetten zijn hier het motertje dat alles aanzet, met het woodblock als straffe aanjager.

De manier waarop Adams het orkest gebruikt, is bijzonder. De minimal music was (okee, er zijn uitzonderingen zoals Philip Glass) vooral het terrein van ensembles. Maar Adams maakt opera's en orkestmuziek waarin hij het romantische grote gebaar van Wagner koppelt aan de gemotoriseerde klank van deze tijd.

Het zingende koper tegen het einde roept bij sommigen weerzin op (Kitsj! Hollywood!), maar daar heb ik gelukkig geen last van. Waanzinnig hoe de zon op die plek doorbreekt. En hoe Adams er bovendien de vaart er weet in te houden.



En nou we toch bezig zijn: een van mijn andere favoriete componisten is Steve Reich. Anders dan Adams vindt Reich het niet erg om zijn materiaal in een aantal minuten op te bouwen en te recyclen. Waar Adams het veranderende uitzicht in zijn fast machine benadrukt, is Reich gefascineerd door het voertuig waarin hij rijdt.

Zoals in Three Movements, een van de weinige werken die hij voor orkest heeft gemaakt. In het derde deel hoor je hoe hij de tijd laat vollopen met met bijna niks. Grote klasse. Aan het eind zit een bekende Reich-truc: hij trekt de bas onder zijn muziek vandaan en de muziek lijkt de laatste maten gewichtloos op te stijgen.



Het luisteren naar dit soort muziek brengt me op nieuwe ideeën. Maar behalve geluisterd moet er natuurlijk ook gewerkt worden. Er staan al wat fragmenten stationair te draaien, wachtend op een trap op het gaspedaal.

In het volgende blog laat ik wat horen.