Gregoriaanse melodie├źn verslijten nooit

door Monic Slingerland (2010)
Voor het Gregoriaans Festival in Ravenstein componeerde Anthony Fiumara vier gezangen. De eeuwenoude kerkmuziek is de bakermat van de westerse muziek. "Een voorrecht dat ik er met mijn handen aan mag zitten.”
"Gregoriaans”, zegt componist Anthony Fiumara, "is net als truffelolie. Een druppeltje in een gerecht en je herkent het meteen”.
Fiumara heeft zich de afgelopen maanden ondergedompeld in deze oude, gezongen kerkmuziek. Voor het Nederlands Gregoriaans Festival componeerde hij in opdracht vier Maria-antifonen (gezangen), voor zangers en strijkers.
Zondag gaan de Marialiederen in première, tijdens de tweede dag van dit festival. Het stadje Ravenstein, aan de Maas, is dan voor de derde keer sinds 2006 geheel gevuld met musici, festivalbezoekers, workshops en concerten. Dit jaar is het Nederlands Gregoriaans Festival gewijd aan oosterse invloeden in de westerse kerkmuziek.
Simpeler dan gregoriaans kan muziek niet zijn. Altijd is het eenstemmig, en zonder instrumentale begeleiding. In de pure vorm klinken alleen mannenstemmen. Al meer dan vijftien eeuwen zingen monniken christelijke teksten op melodieën die geen echt grote sprongen kennen en die rustig opgebouwd zijn. Een echte maat of duidelijk ritme kennen de melodieën niet. Ze stromen door, zoeken hun loop als een beekje in een licht glooiend landschap. Fiumara: "Schoner kun je het niet krijgen.”
De creatieve bedenkers van het festival vroegen Fiumara een werk te maken voor koor en strijkensemble, met de enige vier Maria-antifonen die het gregoriaans kent als uitgangspunt.
Fiumara: "Die melodieën van de Maria-antifonen zijn perfect, net als alle gregoriaanse melodieën. Ze verslijten niet, al zijn ze meer dan duizend jaar oud. Ze roepen een eigen wereld op. Dat zeg ik niet als musicoloog. Die melodieën raken je steeds weer, er gebeurt iets mee. Je wordt er door getroffen. Misschien komt dat doordat ik ermee ben opgegroeid, ik kom uit Tilburg. Katholiek.”
Voor zijn bewerking van een van de vier Marialiederen heeft Fiumara een tekst gebruikt van Geoffrey Chaucer, de schrijver van de beroemde ’Canterbury Tales’. Uit dit veertiende eeuwse Oudengelse boek vol verhalen die pelgrims elkaar vertelden, nam Fiumara er een waarin het Marialied ’Alma redemptoris mater’ voorkomt.
Het verhaal uit de ’Canterbury Tales’ vertelt van een jongetje dat vermoord wordt, op weg van school naar huis. Het dode kind blijft op straat liggen. Als zijn moeder hem vervolgens vindt, begint het jongetje de Maria-antifoon ’Alma redemptoris mater’ te zingen. Het jongetje noemt Maria de bron van genade, de Welle of Mercy.
Die woorden heeft Fiumara genomen als titel van zijn compositie. In zijn werkkamer laat de componist de opname horen van een repetitie van het werk ’Welle of Mercy’. De oorspronkelijke gregoriaanse melodie van het ’Alma redemptoris mater’ wordt gezongen door de Schola Maastricht, een gregoriaans mannenkoor. Ondertussen speelt strijkorkest Lundi Bleu lange lijnen, en zingen twee tenoren het verhaal van het jongetje op tekst van Chaucer, maar de zangers van het koor trekken zich zo te horen helemaal niets aan van die twee tenoren of de strijkers.
Dat moet ook niet, knikt Fiumara. Hij laat de partituur zien, waarin staat dat de schola moet zingen in eigen tempo en frasering, onafhankelijk van strijkers en tenoren. Zo laat Fiumara oud en nieuw naast elkaar bestaan in zijn ’Welle of Mercy’.
Ook in het tweede deel, ’Regina Caelis’, lijken orkest en zangers ieder hun eigen gang te gaan. Fiumara is lovend over de Schola Maastricht, voor wie hij het stuk schreef. "Ik ben naar ze gaan luisteren, van tevoren, om te weten wie ze zijn en wat ze kunnen. Ze zijn supergoed, het gregoriaans is ook echt ’hun ding’”, zegt Fiumara. "Daarom wilde ik dat ook zo laten bestaan, zodat ze dat eenstemmige ook echt kunnen zingen.”
Het strijkorkest Lundi Bleu laat Fiumara zo ongeveer het omgekeerde doen van gregoriaans. De strijkers spelen meerstemmig, veel pizzicato, dus korte tokkels, en heel veel snelle noten. Heel anders dan de lange, eenstemmige lijnen van de gregoriaanse zangers. Lundi Bleu komt uit Amsterdam. Een amateurorkest dat op maandag (lundi) repeteert.
Tijdens de eerste repetitie van de zangers uit Maastricht en de strijkers uit Amsterdam klinkt helder en duidelijk de muziek van Fiumara.
Als musicoloog is Fiumara gespecialiseerd in de renaissance. Hij haalt een koffer tevoorschijn, doet die open. Een houten snaarinstrument. "Dit is een vihuela. Een rooms-katholiek promotie-instrument uit 1540, iets tussen een luit en een viool in.”
Hij vertelt dat het in die periode, midden zestiende eeuw, populair werd om een viool niet met een strijkstok te bespelen, maar om die te tokkelen. In de Arabische muziek gebeurde dat ook, op een luit. "Maar de luit was Moors, en dus niet katholiek. Toen is er een soort katholiek alternatief ontstaan, en dat is de vihuela. Die werd in korte tijd heel populair. In die tijd klaagden spelers dat elke staljongen wel een vihuela had.”
Fiumara ontdekte het vak muziekwetenschap in de kelder van de Radboud Universiteit. Hij studeerde in Nijmegen geschiedenis, maar stapte na zijn ontdekking over op de musicologie. Sinds tien jaar legt hij zich toe op componeren. Hij krijgt steeds grotere compositieopdrachten en schreef een pianoconcert. Ondertussen is hij ook muziekrecensent van Trouw.
Voor het eerst werkt hij nu met gregoriaans, de oudste muziek van Europa, kerkelijke gebruiksmuziek. "Er zit een idee achter van eeuwigheid. In de wereld van het gregoriaans is tijd eindeloos en eeuwig. Bij het zingen ervan of het luisteren ernaar, krijg je het gevoel dat er een deur opengaat en je een kamer binnenloopt waar die muziek altijd al was. Het enige wat we doen is articulatie aanbrengen. Wasknijpers zetten op de waslijn van de eeuwigheid”, zegt Fiumara. "Je weet niet of het stuk ook echt eindigt. In ieder geval ben je zelf weg, als het daarna stil is.”
Gregoriaans is de bakermat van de westerse muziek, vertelt de componist. "Een voorrecht, dat ik er met mijn handen aan mag zitten.”